30.1.14

ex tempore III







hij noemt me schampschot.  en zo werd het laat.
we drinken whisky aan de bar.  het rinkelt
in de glazen.  hij spelt het me nog eenmaal
uit:

jij stelt geen vraag jij leeft zonder geduld
de onrust trilt onder je huid je rent de grot voorbij.
zo velt hij vonnis in ons missen van
een ziel.

ik droomde daarna over hem.  ik zag hem als
een schaduw in het sluiklicht van zijn raam.
hij stond daar niet alleen en ook niet 
samen.